Histoire d’amour

Ik las dit artikel in The New York Times en keek naar Night train to Lisbon. 

Ze heette Lissa met dubbele ‘s’ en we ontmoetten elkaar toen we een semester in Parijs studeerden. Waar kan een liefdesverhaal beter starten? “Lissa, je bent wel bon”, zei ik. Al klopt dat niet. Elle était bonne, parce qu’elle était une femme, une fille, maar ik kon het woordgrapje niet laten liggen. Ik was niet de eerste. Wel de eerste die haar daadwerkelijk meenam naar Lissabon.

Want ja, Lissa, zij was wel bon.

Lees verder

Agatha

Een koningin was er niets tegen. Gezeten in haar fluweelrode troon aanschouwde Agatha het wonderbaarlijke schouwspel van dansende lichamen. Handen wuifden in haar richting. Haar bevende handen wuifden zachtjes terug. Een glimlach krulde zich om de smalle lippen waarop ze zorgvuldig een laagje lichtroze lippenstift had aangebracht, zoals ze dat elke dag deed. Jong en oud had zich op de dansvloer verzameld. En die vloer, die kraakte. Die vloer, die boog zich gewillig onder de schuifelende driekwartsmaat van een trage Kerstwals.

Lees verder

In Parijs

Het was op de laatste zonovergoten zondag van het najaar dat ik in Parijs arriveerde. Je kon de eerste bladeren al geel zien kleuren. Ik had graag eerst wat door de straten gekuierd. Me de stad eigen gemaakt, maar ik zou op maandag meteen op de universiteit starten.

Lees verder

The way we met

Inspiratie: een gesprek opgevangen in de lift en The way we met

Haar prins kwam met een grote gasbarbecue. Het was de eerste keer dat Lies een wedstrijd won.

Het was een barbecue van een bekend merk, een mooi ding. Het gedroomde tuinattribuut van de papperige vijftiger die de schijn van het fanatieke sporten hoog hield, maar dan af en toe wel een steakske had verdiend. Hij die niet van plan was daarvoor een uur op kolen te staan blazen. Hij die door zijn gasten gezien wilde worden. Die in zijn blote, diepbruine bast de worsten stond om te draaien. Of zijn barbecue dan door kolen of gas werd aangedreven zou hem – nu ja – worst wezen.

Lees verder

Dorpskind. (Vers #4)

Op 23 juni 2016 mocht ik met m’n mede-Topklassers onze verhalenbundel ‘Vers’ voorstellen aan een handjevol geïnteresseerden in de centrale bibliotheek van Rotterdam. Daarin lees je mijn kortverhaal ‘Dorpskind’. Verder ontdek je in de bundel het werk van nog zes schrijvers en twee dichteressen. Benieuwd? Koop ‘Vers’ voor een tientje – zoals die Hollanders dat zeggen – bij Donner op de Coolsingel. Voor Belgische familie en vrienden breng ik er graag eentje mee. Stuur me gewoon een mailtje als je er eentje wilt! Hier lees je alvast een voorproefje, dat ik ook heb voorgelezen aan het publiek tijdens de voorstelling.

Lees verder

Zonder trommels en trompetten.

Inspiratie: een mopje van mijn papa, een tuinfeest en die ziekte die overal is of lijkt te zijn.

I

“Wat denk je dat er na de dood is?”

De gesprekken stokken. Verstomde blikken en gespitste oren richten zich naar Maud en Mieke, terwijl zinnen mompelend worden afgemaakt. “Dat heeft niemand me ooit gevraagd,”. Miekes ogen staan wazig. Ze kijkt de kamer rond en ziet hoe haar familie en vrienden krampachtig in gesprek blijven. Eén mondhoek gaat omhoog. Ze neemt een slok wijn.

Lees verder

Een bergmeertje

Fietsend tussen de velden zing ik luidop mee, mijn hoofdtelefoon op mijn oren. Vals, zoals dat in films gebeurt en altijd grappig is. Het is niet grappig. Ik zing van “miserryyy”. Dat heb ik nog nooit gedaan. Om de bocht wandelt een man met een hond. Een belachelijk kleine hond. En lelijk, nota bene. Hij kijkt en knikt, de man, en ik lach hem breed toe, met de tranen hoog in mijn ogen. Het kan me geen barst schelen dat hij mijn valse, gebroken stem heeft gehoord achter de bomen. Hij was misschien bang dat hij overvallen zou worden door een wilde gek. Ik hoop dat hij bang was. En opgelucht toen hij die verwaaide griet om de hoek zag komen waaien.

Lees verder