Flash-Fiction: Kopenhagen

Daags na mijn verjaardag kwam hij alsnog met verontschuldigende bloemen aanzetten, plus de belofte aan een chic etentje, later. Speels gekwetst lachte ik de kwestie weg. Ik had een bevestigingsmail van het Copenhagen Admiral Hotel in z’n mailbox opgemerkt. Nyhavn, Superkilen, het Operagebouw, ik wilde er al lange tijd heen.

Toen ik op de geplande datum thuiskwam, de inhoud van de koffer die ik snel zou moeten inpakken kant-en-klaar in gedachten, trof ik een leeg huis en geplunderde kasten aan. De kaart op tafel zei dat ik het even moest laten bezinken, dat we erover zouden praten, later.

(Ingezonden voor de Flash-Fiction EACWP Contest 2020.)

Ik ben verdwenen

Woehoew! Met dit verhaal werd ik op 28 april 2020 één van de drie winnaars van de Korte Verhalenwedstrijd van Sebes & Bisseling Literary Agency

Ik ben verdwenen. De ene dag was ik er nog en de andere niet meer, of toch niet zichtbaar, niet waar ik moest zijn. Ze hebben me gezocht. Het duurde niet lang voor ik werd gemist. Bij sommige mensen duurt het een paar uur, een paar dagen. Er zijn zelfs unieke, sombere gevallen waarin maanden en jaren verstrijken en er van missen eigenlijk nooit echt sprake is.  ‘Vrouw ligt tien jaar dood in appartement’ lees je dan in de krant.

Lees verder
Celine Vervaet Gringocomics

Wie dit leest is een stalker

“We hadden twee routes uitgestippeld en noemden ze ‘de jouwe’ en ‘de mijne’. Er was nooit twijfel over welke route we praatten, want onze bende bestond slechts uit jou en mij.”

Lees het volledige verhaal op de website van De Optimist.

De illustratie is van Ruben Gringhuis a.k.a. Gringocomics.

Walt (I)

Marja liep op me af als een lichtpuntje in de jonge nacht. Ergens ver achter me (zo leek het slechts, want ik wist dat ze vlakbij waren) klonken gedempte stemmen; af en toe een uitschieter van een bulderlach. Feest in het dorp, maar wij stonden erbuiten. Een triviale gebeurtenis is het, hoe zij en ik bij de gesloten deuren van het schooltje elkaar begroetten. Dadelijk zou ze naar de sleutels graven in haar tas, maar eerst die sigaret.

Lees verder

“Ik ben Ron,”

Hij zegt het heel zachtjes, maar ik hoor het toch, terwijl ik op zoek ben naar de schappen met chips en toastjes. Zit elke Albert Heijn niet precies hetzelfde in elkaar? Het ligt vast aan mij.

Hij heet Ron en heeft zijn telefoon tegen zijn ene en zijn linker wijsvinger tegen zijn andere oor gedrukt. Zijn schouders lichtjes opgetrokken, zijn korte benen bij elkaar in een soort pinguïnpas. Ron draagt een ronde bril en moet gisteren nog naar de kapper zijn geweest. Een type dat de sollicitatieruimte amper heeft betreden of hij is al aangenomen, zoveel degelijkheid straalt hij uit. Niet zo ambitieus dat hij ellebogenwerk gaan verrichten, maar wel iemand die doet wat van hem wordt verwacht én beter, en die bij de borrel op vrijdagmiddag nooit voor gênante momenten zorgt. Saai is hij niet, hij heeft humor, soms zelf praatjes, en een aanstekelijke lach.

Lees verder

Blinkende plekjes

I.

Ik moet mijn ogen open houden. Zittend in mijn favoriete stoel kijk ik de kamer rond. Van de lege, witte muur naar de boekenkast waar de ruggen van mijn boeken diagonaal tegen elkaar aangeleund staan. In de ontstane leegtes huizen geesten van science fiction-figuren uit verhalen die ik nooit heb gelezen. In de straat rijdt maar af en toe een auto langs. Nu en dan hoor ik een schreeuw in de verte. Fietsers op weg naar huis in het holst van de nacht. Het enige lampje dat ik heb aangestoken danst als een wilde vlek voor mijn ogen.

Ik moet mijn ogen open houden, concentreer me op mijn ademhaling. Doe ik dat niet, dan tuimel ik met een razende snelheid het luchtledige in. Maak ik ontelbare buitelingen en ruist een oorverdovend gekletter in mijn oren. Voor de zekerheid heb ik een emmer naast me neergezet. Ik ben zo moe, maar ik moet mijn ogen open houden.

Lees verder