Feest der letters, dans der woorden.

Het feest der letters ging van start en de letters druppelden binnen. ‘Het zijn er toch maar zesentwintig?’ denk je, maar het zijn er zoveel meer. Elk heeft zijn eigenheid. Zijn er dan niet meerdere Sara’s op de wereld? En kruisten al niet meerdere Tom’en jouw pad? De kans is groot dat jouw vader net als de mijne Dirk heet, of Marc, Luc of Jos. En je mama Ria of Marleen of Lieve. Allen zijn zij anders, dat hoef ik je niet te vertellen.

Lees verder

In een leven.

Ana is twaalf en droomt maar van één ding: Lode. Een kameraad van haar drie jaar oudere broer. Vijftien is hij en onmogelijk. Vijftien, mooi, stoer en onmogelijk.

Ana is vijftien en droomt nu eens van Pieter, dan eens van Laurens, dan weer van Michiel.. Oh, en soms nog eens van Lode. Ze kwam hem tegen op haar eerste fuifje. Hij was vriendelijk, ze praatten een beetje en Ana zweefde naar huis.

Lees verder

Nachtscène

Take me out, tonight.

Anywhere, you don’t care?

Anywhere, I don’t care, I don’t care, I don’t care..

Hij stapte in zijn auto en nam me mee. Ik staarde slechts naar het vervormde effect van de straatlichten in de racende regendruppels op de voorruit. Naar het schaarse groen, dat nu wel zwart leek.  Naar de lelijke huizen met licht achter de gesloten gordijnen. Naar de levende steden en de stille snelwegen. Zwijgen in de auto is een zaligheid. En het hoeft niet altijd duidelijk te zijn waarheen we gaan, want rijden is de rust. Kinderen houden er ook van rondgereden te worden en diep vanbinnen wil ik jong zijn, wil ik zo graag kind zijn.

Lees verder

Sam.son.

Bij je geboorte had je al dik zwart haar. Andere baby’s worden met een nagenoeg kale kop geboren maar toen jij je een weg baande van de moederschoot naar de badkuip waarin je moeder lag te bevallen, riep de vroedvrouw: “’t is een harige!” Je moeder dacht dat je een meisje zou zijn omdat ze had gedroomd van een dochter, de dag voor ze ontdekte dat ze zwanger was. Maar je was een jongen en het heeft nog een halve dag geduurd voor de verpleegster een naam op je polsbandje kon schrijven want bij het bepalen van een jongensnaam had je moeder geen haast gehad. Ze noemde je Sam. Je vader had je verwekt op een van de eerste lentedagen en was toen voor een jaar van het toneel verdwenen maar was blij verrast toen hij bij terugkomst vader bleek te zijn geworden en je moeder hem zonder meer terug in huis nam. Ze zag hem zelfs graag en ze trouwden toen je in staat was tien meter te wandelen zonder op je kont te vallen zodat je voor hen uit kon gaan op de rode loper. Je haar hing al over je oren en je riep aldoor ‘mama’ en ‘papa’. Je broer zat toen reeds in je moeders buik en ook toen dacht ze dat het een meisje was. Ze wist zelf niet waarom ze zo graag een dochter wou. Misschien omdat ze zelf drie broers had. Ze hield van jullie en maakte er geen probleem van dat jullie met haar oude poppen speelden en eigenlijk was ze heel erg blij toen bleek dat je broer homo was want zo kreeg ze toch een schoonzoon. Van schoondochters had ze schrik omdat ze dacht dat ze haar kinderen zouden afnemen. In schoonzoons zag ze dit gevaar niet. Het was een gek figuur, je moeder.

Beneath the stars came fallin’ on our heads. But they’re just old light, they’re just old light

Je broer was de rust, jij de furie. Je beleefde een jeugd van vechten en trekken aan het haar dat jullie beiden weelderig bezaten. Tegelijk een jeugd van liefde voor elkaar want wie dacht je broer te moeten jennen, kreeg het met jou aan de stok. Je was de schrik van de school. Je had nepvrienden die bang van je waren en meisjes die je aanbaden. Maar je keek niet op of om en groeide op in een roes van bomenklimmen, voetballen en luidemuziekluisteren.

Your hair was long, when we first met.

Na vijftien jaar van vallen en opstaan ontmoette je een meisje. Je lokken vielen toen al op je schouders maar hààr haren verborgen zelfs haar prille borsten. Je kuste haar voor het eerst op je zestiende verjaardag, toen de regen met bakken uit de lucht gutste. Ze had een taartje voor je gekocht dat ze je gaf onder een luifel in de stad en je keek ernaar en zei dat het leuk was maar ze zag dat je niet wist wat ermee aan te vangen. Jullie hebben het toen samen opgegeten en ze likte de slagroom van je neus en je hebt haar het chocolaatje gegeven waarop in sierige letters Happy Birthday stond want je had gehoord dat alle vrouwen van chocolade hielden en voor jou hoefde het toch niet zolang je maar de krokante bodem had. Ze nam je mee op wandel en had gelukkig een grote paraplu bij. Onhandig legde je je arm rond haar schouder zodat jullie beiden de dikke druppels die van het scherm vielen niet hoefden te voelen op jullie arm. Je hoorde de regen tikken zoals thuis op het schuine plafond van je slaapkamer en hield er stiekem van.

But the history books forgot about us, and the bible didn’t mention us.

Je was verliefd en dat haatte je. Je had nog nooit zoveel gevochten. Je ging naar luide concerten. Je dronk en je rookte. Je wilde haardos krulde op je rug. Je baard liet je kort staan. Je eerste borstharen groeiden. Je meisje probeerde je soms te sussen. Je trok haar aan en stootte haar af. Zij ging weg en kwam terug. En nog eens. Je hield haar nu vast en dan schudde je haar dooreen. De outing van je broer maakte je woedend. Je verweet hem en verafschuwde hem. Toen hij door enkele klasgenoten werd uitgemaakt, ging je er echter op af. Het kostte je haast je diploma. Je was bijna achttien. Je koos te gaan werken. Je voelde de energie in je borst borrelen en werkte hard en veel. Je meisje vergat je en ging met een andere jongen heen. Je werd er kwaad van. Soms betrapte je jezelf erop verdrietig te zijn. Je ging sporten als een zot. Je kreeg spieren en werd een man. Je moeder keek naar je en besefte dat ze allesbehalve een dochter had gekregen, achttien jaar geleden, maar ze hield ontzettend van je. Ze zag je zoeken naar je weg en beschermde je. Je vader was trots op jou maar probeerde je in toom te houden. Het was onmogelijk. Je leefde als een wervelwind.

Oh I cut his hair myself one night. A pair of dull scissors in the yellow light. And he told me that I’d done alright. And kissed me ‘til the mornin’ light.

Toen je meisje nog maar eens terugkwam, want je werkte op haar als een magneet, beloofde je goed te zijn voor haar. Je bruine lokken vielen lang op je rug. Je deed je best maar je uitspattingen bezorgden haar de schrik van haar leven. “Hoe kan ik je temmen, Sam?” vroeg ze, “als je het zelf nog niet kan?” Maar je wist waar je trots zat, je kracht, je energie. Toen je meisje na de zoveelste uitspatting dreigde weg te gaan, gaf je haar een schaar in het goudgele maanlicht. Voorzichtig knipte ze je lokken. Ze vielen op haar tenen en in het gras. De wind nam je kracht mee naar onbekende bestemmingen en gaf er andere mensen de energie die ze zo nodig hadden. Toen ze klaar was, zei je dat het goed was en je nam haar in je armen en de nacht was zacht en vol van liefde tot de zon opkwam.

You are my sweetest downfall. I loved you first, I loved you first.

Toen de meisjes triomfeerden

“Ni pipi doen ni kaka doen en oogskes neeiig toe,”

We lachen. Hiervoor zijn we nu wel te oud geworden. Ik zie een glimlach de deur sluiten. Dan lig ik in bed en bedenk hoe ik de beste van de klas kan worden in voetbal. Want die jongens denken toch altijd dat ze de beste zijn. Nee, de meisjes mogen nooit meespelen. We zitten nu al in het zesde leerjaar en willen tonen dat we ons niet laten doen.

Toen haalde die ene jongen eens flink uit naar het meisje met de grootste mond. Wij gingen natuurlijk direct gaan klikken bij de juf. Toen gebeurde wat ons allen is bijgebleven. Die juf was al bijna met pensioen. Ze zag er dan ook ongelooflijk oud uit en haar gezicht was als een verfrommeld blad papier dat daarna terug was opengelegd. Ze was mager en haar kaken leken soms te bengelen. Ze had kleine priemoogjes die geweldig konden steken en een zuinig mondje, geverfd met een likje lippenstift. Ze was ontzettend streng, en zo kwam ze ook aangewandeld. Ze liep recht op de jongen af en nam met haar handen zijn beide oren vast terwijl ze hem terecht wees. Met zijn kwaaie kop bleef de jongen foeteren. Toen greep ze zijn oren nog steviger en tilde hem omhoog. Hij stond op zijn tenen en zijn hoofd liep steeds roder aan. We zagen zelfs zijn voeten van de grond gaan. We keken elkaar met blinkende oogjes aan. De volgende dag mochten we meevoetballen.

Ik kijk naar de kleine Pinokkio die aan een haakje in de muur hangt. Als je aan het koordje tussen zijn twee benen trekt, gaan zijn armen en één been de hoogte in. Op zijn buik heb ik een lichtgevend sterretje gekleefd. Het sterretje dooft langzaam uit en ik glijd de dromen in waarin ik een groot meisje ben.

Beautyqueen

Ik ben opgelucht wanneer ik de voordeur van mijn flat open en de vrijheid me in het gezicht waait. Achter me ligt een lange, loodzware dag. Voor me zie ik een zalige leegte lonken, inclusief warm bad en zachte zetel. Roommate is op stap, mobiele telefoon gaat uit. Ik werp mijn sleutelbos in de daartoe bestemde schaal in de hal. Langs de spiegel lopend zie ik hoe mijn haar vet tegen mijn voorhoofd plakt. Net als in mijn haar lijkt ook in mijn hele lijf geen tikkeltje fut te bespeuren. In de keuken smeer ik snel enkele toastjes met tomatentapenade, schenk mezelf een glas cava in en neem beide mee naar de badkamer, waar de kraan op het warmste open gaat staan en er zich al snel een laagje schuim vormt.

In de grote spiegel in mijn slaapkamer zie ik mezelf. Terrible. Zo zakelijk als ik er vanmorgen uitzag – hemdje in de broek – zo verwaaid ben ik nu. Op mijn hoofd lijkt een tornado lelijk huis te hebben gehouden. Geen spoor te bekennen van het hippe kapsel dat ik er slechts enkele dagen geleden in liet knippen. Recht uit een boekje: dit wil ik op een foto van een filmster. Mijn ogen staan flauw, mijn neus blinkt, mij lippen barsten. Ik geef niet te lang aandacht aan dit zielige beeld. In een wip ben ik uit mijn kleren gesprongen en test ik met mijn grote teen de temperatuur van het water. Op het rek zie ik het gezichtsmasker van mijn roommate. Ik twijfel even maar besluit het toch eens uit te proberen. De radio gaat zachtjes aan, toastjes en cava staan binnen handbereik. Ik laat me traag in het bad zakken, leg mijn hoofd tegen de rand te rusten. Zalige solo-aperitief.

Na een half uurtje en meerdere warmwaterbijvullingen knip ik mijn nagels en scheer het lichaamshaar dat  geschoren moet worden. Het maskertje spoel ik af. Mijn huid voelt zalig zacht. Dat van het babyvelletje dat men steeds bij zulke maskertjes aanhaalt, blijkt niet gelogen. Ik lach een beetje met mezelf, wankel uit bad en droog me af, zet mijn telefoon opnieuw aan – geen gemiste oproepen, wonder o wonder – en bestel Chinees.

Ik sta opnieuw voor mijn grote spiegel en bekijk mezelf van kop tot teen. Ik zie een lang en slank persoon. Ik zou best een model kunnen zijn. Symmetrisch gezicht, hoge jukbeenderen, ik bekijk het even van dichterbij. Enkele verloren haartjes storen me. Ik epileer ze weg, wrijf mijn gezicht in met lotion en verdoezel mijn wallen – je weet nooit wie je nog over de vloer krijgt – met een middeltje dat ik ooit voor de grap van mijn zusje kreeg. Stiekem hield ik ervan en ik kocht het al drie keer opnieuw. Mijn lijf blinkt en geurt heerlijk, mijn vingers zijn een beetje verrimpelt van het lange badzitten. Mijn gladde borst gaat zacht op en neer, ik ben helemaal zen. Mijn navel is ondiep, mijn heupen slank, mijn buik gespierd en door iedere vrouw bekoord. Onder mijn buik zit mijn mannelijke trots en mijn behaarde, doch slanke benen. Zou ik modeshows kunnen lopen? Ik probeer het terwijl ik zelfzeker in mijn eigen ogen kijk.

Ik kan mezelf wel een mep verkopen. Bedenk dat ik dringend met een pint voor de televisie moet gaan hangen. Het liefst nog met maten fifa spelend. Ik moet dringend boeren laten, vettigheid naar binnen werken en praten over actiefilms en porno om mijn huidig gedrag goed te maken. Ik moet uitgaan, stoer doen, het beest uithangen op de voetbal en pissen tegen de kerk in plaats van me als een wijf te gedragen.  Fuck, ik ben een beautyqueen in’t diepst van mijn gedachten.

De laatste dag van de crèmekar

Hij hield van kinderen. Blozende jonge wangetjes. Met zijn crèmecar stond Flip al sinds jaar en dag op het grote plein in de stad.  Morgen zou hij zich echter moeten verplaatsen vanwege stadswerken. Die vond je tegenwoordig overal. Dat zag Flip ’s avonds op zijn  kleine TV’tje. De markt zou open worden gegooid. Chaos zou uit de grond naar boven komen. Hij had het liever netjes en proper. De paden zouden vlakker worden gemaakt, zodat ieder oud vrouwtje zich moeiteloos over het plein kon begeven. Van oude vrouwtjes hield hij niet. Die hadden een te scherpe neus. Ze hielden wel van ijs. Dus gaf hij het hen. Liever had hij kinderen aan zijn kraam. Die waren zo lief.

Flip schepte al eeuwenlang bolletjes ijs. De smaken had hij onder andere wereldvredecarnaval en lippenstift gedoopt. Een populaire combinatie was die van herfstdag met zomersproetjes. Iedereen hield van zijn ijs en hij schepte het lustig op hoorntjes in alle vormen en kleuren. Flips crèmecar was vergroeid met de plek onder de bomen en maakte ’s nachts krakende geluiden. De plek was voor hem perfect, hij zou ze nooit verlaten. Nu moest hij naar een grijs pleintje aan het station. Hij hield er niet van. Haastige mensen, hangjongeren en veel politieagenten, daar had hij geen zin in. Bovendien werd hij er niet jonger op. Zijn crèmecar zou naar zijn achtertuin verhuizen en daar stilletjes wegkwijnen. Net als hijzelf.

Nu, op de laatste dag van de crèmecar, kwam er een cameraploeg langs. Toen zijn stadsgenoten hadden opgevangen dat de crèmecarman er na al die tijd mee ophield, wilde men hem op een speciale manier eren. En hoe kon dat beter dan door hem eeuwige roem te bezorgen, had men gedacht. Die eeuwige roem kreeg hij. En hoe.

Een live-reporter van het drukstbekeken vrijdagavondprogramma kwam Flip verrassen. Zijn laatste ijsjes rozenblaadjes en sprookjesboek uitscheppend, keek hij angstig in de camera. Het land aanschouwde een icoon. Flip hield niet van de aandacht, was liever met rust gelaten. Hij gaf een bot interview over zijn originele smaaknamen en het schepte een ijsje voor de reporter. Hij mocht die man niet. Veel te opdringerig. Toen was er een plotse pauze in de uitzending en Flip reageerde opgelucht. Dat was het dan? Bedankt, daag. Men zond een opsporingsbericht uit. Een jongentje uit dezelfde stad was verdwenen.

Nadien wilde de reporter ook een ijsje scheppen. Een tv-figuur in een crèmecar, het geeft leuke televisie. Flip verzette zich tegen amateurs in zijn kraam. Op een wip stond de opdringerige man echter in zijn frigo’s te neuzen. Wat heb je hier zoal? Staat hier de pot lentebloesem?

Wat toen gebeurde, zou niemand die deze bewuste avond tv-keek ooit vergeten. De reporter opende de grote vriezer en slaakte een kreet die wel over het hele land leek te galmen. Hij sloeg de vriezer dicht en zelf achterover. Flip wist niet waar kruipen, zijn gezicht kwam een halve seconde in beeld. De camera tolde en draaide. Je hoorde de reporter ijlen. De geluidsman duwde Flip tegen de wand van de car, keek in de vriezer – bevroren bloed, lichaamsdelen –  moest kokhalzen en sloeg de vriezer weer dicht. Intussen riep hij luid: “zet die camera’s uit, UIT-ver-dom-me-UIT!”. 

Wat meteen gebeurde.

Het testbeeld verscheen.

Niemand durfde de televisie nog uit te zetten.

Het land was met stomheid geslagen en wachtte verdwaasd op een verklaring.