Nachtscène

Take me out, tonight.

Anywhere, you don’t care?

Anywhere, I don’t care, I don’t care, I don’t care..

Hij stapte in zijn auto en nam me mee. Ik staarde slechts naar het vervormde effect van de straatlichten in de racende regendruppels op de voorruit. Naar het schaarse groen, dat nu wel zwart leek.  Naar de lelijke huizen met licht achter de gesloten gordijnen. Naar de levende steden en de stille snelwegen. Zwijgen in de auto is een zaligheid. En het hoeft niet altijd duidelijk te zijn waarheen we gaan, want rijden is de rust. Kinderen houden er ook van rondgereden te worden en diep vanbinnen wil ik jong zijn, wil ik zo graag kind zijn.

Ze zweeg toen ze naast me in mijn gammele auto zat. De slecht sluitende achterdeuren zorgden voor een zoemend lawaai. Ze keek voor zich uit en wanneer ik vanuit mijn ooghoeken naar haar loerde, zag ik haar irissen van links naar rechts schieten. Ik zag het diffuse licht in haar grijze ogen weerspiegelen en ik keek weer naar de weg en liet haar begaan. Ik denk niet dat ze triest was. Ik geloof dat zij gewoon van stilte houdt, de spanning van het niet-spreken. Waar reed ik naartoe? Bij iedere splitsing deed ik een mentale kop of munt. Anywhere.

Ik hoopte maar dat hij het niet ongemakkelijk vond, maar hij zag er best ontspannen uit. Soms merkte ik dat hij vanuit zijn ooghoeken naar me keek, als het ware om te checken of ik niet door de stilte was verzwolgen. In drukke café’s konden we zo enkele minuten bij elkaar staan. Zwijgend, nippend aan onze pint, glimlachend. Om dan ongemakkelijk te scheiden en hyperspontaan elk onze vrienden te vervoegen. Op café zwijgt men niet.

Ik reed naar een mooie stad en stopte aan een rustige kroeg. Ze keek me aan en glimlachte en we gingen naar binnen en dronken een glas of drie. De stiltespanning veranderde in een woordengolf. Geen hoge golf diep in de zee, maar een uitgerokken overblijfsel daarvan, dat haar rust vindt tegen een mensenvoet op het strand. We praatten over hoe het leven ons te pakken had.

Mijn benen tintelden toen ik terug naar de auto liep. De radio ging zachtjes aan. We neurieden beiden een liedje mee. Hij zette me thuis af en ik gaf hem een kus op de wang, waarbij hij zich naar me toe boog en zijn linkerhand niet van zijn stuur haalde en zijn ogen amper van de weg. Alsof er op dit uur, op deze plaats, plots een file zou ontstaan, of een andere auto op ons zou inbeuken. Ik ging naar binnen en dacht dagenlang aan niets anders.

Ik zag nog net het licht aangaan op de eerste verdieping toen ik haar straat uitreed. There is a light that never goes out.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s