Violen en een diepe mannenstem

Een kortverhaal van 745 woorden.

Het leven zou een soundtrack moeten hebben. De dag was per definitie rot geweest. Geklaag, geschreeuw, ge-ik-ben-ra-zend, meneer! Denk aan chaotische scènes in een toneelstuk en het bijhorend artistiek verantwoord kattengejank. Acteurs hollen levensecht van de ene naar de andere kant van het podium. Ze kijken het publiek te lang en te diep in de ogen. Valse gitaren en opdringerige drums. Alsof theater zo nog niet angstwekkend genoeg is.  Zijn hoofd had de hele ochtend gebonsd en als middagmaal had J. voor de zoveelste dag op rij soep met beschuiten gehad, simpelweg omdat hij niets anders in huis had. Groentenweelde, heette de soep. Alleen al de naam smaakte naar meer. Met genoeg Groentenweelde in je maag kon je toch de wereld aan? J voelde een jaloers hongergevoel in zijn maag knagen toen hij iets later een collega een broodje zag beleggen met enkel dingen waar hij van hield: mozzarella, tomaat, pesto. Hij had sterk de neiging moeten onderdrukken om de restjes uit de vuilnisbak te vissen. Met eten wordt niet gemoost, zo luidt het keukenmantra van z’n moeder.

Nu stromen violen en een diepe mannenstem in zijn oren, op weg naar huis, waar hij onder de douche alles van zich af zou spoelen en waar de kant-en-klaarmaaltijd die nu nog op de achterbank ligt, zou smaken als een vijfsterrenmaal. Daarna zou hij naar het café fietsen, waar hij iedere zaterdagavond dezelfde mensen terugvindt. De cafébaas en zijn personeel, de gekke tooghanger in de hoek. Indie rock als je heel goed luistert. J’s compagnie zit steeds rond dezelfde tafel, en hij schuift altijd als laatse aan. Hij zou een pintje nemen om de avond te starten. Later volgen chips en kaasjes met salami, speciaalbier en gekke ingevingen als shotjes tequila of cola rum. Op zondagochtend is er geen enkele reden om uit bed te komen vóór 12u. Een halfuur later wordt hij steevast bij zijn moeder verwacht, die hem eerst even veel te meelevend in de ogen kijkt en daarna ‘normaal doet’, zoals hij het haar iedere zondag opnieuw beveelt.

De violen sterven weg in een radio-babbel die radiozappen aanmoedigt en J ziet zijn appartementsgebouw opdoemen. Kennelijk hebben de buren een feestje. De weg naar zijn garagebox is versperd. Laat maar. In achteruit draait J de oprit weer af. Hij zou kunnen gaan vragen of iemand z’n auto wil verzetten, maar hij gaat nog liever met een groep Japanse toeristen karaokezingen met een roze hoed op dan z’n kop te laten zien in het moderne, nihilistische interieur van zijn hippe buren. Vijftig tinten wit. Zo’n interieur dat de vrouw des huize trots op Instagram post. Knipoog naar de stoute roman inbegrepen. Bah, haal je hoofd toch uit die welgevormde kont van je. Een spontane uitnodiging op dit feestje kan hij missen als de pest. Want hij is goed opgevoed, en mag dus niet weigeren. Beter een goeie buur dan een verre vriend, zegt zijn moeder altijd, maar met die verre vrienden van hem heeft hij anders wel een goede verstandhouding. Die laten hem met rust.

Met z’n kant-en-klaarmaaltijd in de hand botst J in de gemeenschappelijk hal op Els, de vijftig-tinten-burgerlijk-buurvrouw. Hij twijfelt of hij haar mag feliciteren met haar zwangerschap of gewoon moet negeren dat ze zich een beetje heeft laten gaan sinds die ring om haar vinger is geschoven. Maar zoals dat gaat met veganisten en jonge moeders, al dan niet in spe, snijden ze zelf hun favoriete gespreksonderwerp wel aan. De spontane uitnodiging blijft uit. Toch niet zo’n goeie buren. Ze wil wel weten of hij kindjes wil. Natuurlijk. Dat vragen ze allemaal. Maar eerst een vrouw, he J. Iedereen lacht. Behalve zijn moeder. Die zorgt voor een hond als voor het kleinkind dat ze nooit zal hebben.

Na de maaltijd, de douche en het fietstochtje treft J een lege hoek aan in zijn café. Dus voert hij met een pint in de hand een doodlopende conversatie met de vaste, gekke stamgast die wel aan de toog hangt. Hij gaat op in het decor. Terug in zijn straat hoort hij het feestgedruis in de verte waaien. Voor de deur staan enkele rokers. Hij knikt hen toe en herkent een caféhoekgenoot die hem de hand schudt. In de traphal komt gedempte muziek hem tegemoet. De gladde buurman ziet hem nog net de hal in glippen en wil hem een pint aanbieden, maar J heeft de deur al achter zich gesloten. De deurbel heeft nooit gewerkt. Daar heeft z’n moeder hem al zo vaak de oren over van het hoofd gezeurd.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s