Wat is dat? vroeg hij
en legde zijn vinger op mijn hart

Dat noemen ze pijn, zei ik
maar het is niet erg

Wat is pijn? was zijn vraag
Is het allesomvattend?
Kun je niets meer?
Wil je enkel slapen?

Ik weet het niet, zei ik
het is maar een woord,
een plekje op mijn hart
het is een verlangen naar vroeger,
een vorm van heimwee
of nostalgie

Is dat niet mooi dan?

Een jongen viel uit de lucht
op het hoofd van een meisje

Ze huilde van pijn
Hij verzorgde haar

Grapte, ik ben de regen
zij, jij bent de vloedgolf
een fonkel in haar ogen

Ze liet hem de stad zien
Hij zei niet dat hij ze al kende
de markt, het park
zijn voetsporen waren nog vers

Bloemen Met Waterlanders

Boos koop ik bloemen
Bloemen voor mijn broer
Bloemen die ik verdoem
En wil gooien tegen de muur
Ik wil schreeuwen dat het klote is
Hoe ik mijn broer mis
Dat ik verdomme geen bloemen kopen wil
Bloemen zijn zo stil

Houden en zien.

Hij hield van het meisje, dat deed hij dan ook.
Houden en houden en inhouden.
Hij kon er niets aan doen.
Tot hij het niet meer uithield. Dat zij nooit van hem houden zou.

Toen zag hij een ander graag.
Zien en zien en zien.
Hij bleef kijken.
Tot geen enkel ander beeld hem nog voldoening gaf.

Blauw.

Die eerste ochtend was alles

blauw. Mijn bed, de grond,

de mat en de gordijnen.

Ik keek naar buiten en

naast de blauwe boom in

onze blauwe tuin stond jouw

blauwe auto. Ik liep langs

je kamer. Ik fluisterde jouw

naam maar slechts het blauwe

duister fluisterde terug. Ik ben

zo blauw zonder jou.